GRENSKWESTIES
dinsdag 19 juni 2007
Onlangs beluisterde ik een interview met minister Ivan Fernald bij een populair radiostation.
Hij komt over als een Surinamer in hart en nieren die zijn steentje wil bijdragen aan de nationale ontwikkeling.
Hij is weliswaar uiterst voorzichtig maar het kan dat hij bang is om zijn baas, president Venitiaan, op zijn lange tenen te trappen.
In tegenstelling tot zijn collega Santhoki die zich vaak meer als politieman dan als beleidsmaker gedraagt, begrijpt hij dat hij de operationele kant van het leger aan zijn bevelhebber moet overlaten.
Toch heb ik een probleem met minister Fernald; hij geeft zelf aan dat aan twee belangrijke zaken, noodzakelijk voor het goed fuctioneren van deze werkarm, niet voldaan is.
Het gaat om het opvoeren van de miltaire manpower en de fondsen om de weerbaarheid te vergroten. Deze zijn echter zó belangrijk dat een compromis hieromtrent haast uitgesloten is.
Het leger heeft als taak de nationale souvereiniteit te verdedigen en dient hierbij alle nodige middelen ter beschikking te hebben. Accepteren dat de fondsen mondjesmaat beschikbaar komen is niet alleen uitermate gevaarlijk ,want er zijn wel degelijk dreigingen maar het is ook in hoge mate frustrerend voor de leiding en manschappen.
Alleen al om deze redenen diende hij zijn mandaat terug te geven, iets waarover hij zich niet zou hoeven te schamen; integendeel! Hij krijgt echt wel zijn kans in de toekomst.
Lijkt me dat de regering de grenskwestie met Guyana op de lange baan schuift want er is een wazige commissie bezig ermee maar de samenleving krijgt weinig of geen informatie.
Terwijl er een politieke oplossing voor de grensproblematiek moet komen dienen we een sterk leger te hebben en dit ook te laten merken.
Diplomatie moet gebackt worden door de bereidheid om resolute daden te kunnen stellen, mocht de tegenpartij andere, minder vreedzaame bedoelingen hebben.
Si vis pacem, para bellum (als je vrede wil, bereidt je voor op oorlog); een gezegde van de Romijnse militaire strateeg, Flavius Renatus (ca. 390 A.D.)
Reeds toen waren leiders ervan doordrongen dat onderhandelen vanuit een positie van (militaire) sterke beter is dan uit één van zwakte!
Het zou naief zijn om dit devies niet degelijk ter harte te nemen.
Hoewel geen van beide landen gebaat zouden zijn bij een gewapend conflict, God behoede het, mogen we Guyana niet slechts op haar woord te geloven.
Van onze westerburen hebben we trouwens meegemaakt dat zij indertijd met geweldadige middelen zich van ons grondgebied hebben meester gemaakt en dat, hoewel er een verdrag ter demilitarisering was gesloten, nl. het verdrag Chacaramas, zij dit aan de militaire laars gelapt hebben.
Ons land heeft er dus alle baat bij dat het leger terdege is uitgerust om weerstand aan uitdagingen en provocaties te kunnen bieden.
Het is daarom noodzakelijk om deze gewapende macht adequaat uit te rusten en de beste training welke mogelijk is te geven.
Niet alleen met het oog op een eventuele Guyanese dreiging; het is niet ondenkbeeldig dat ons land te maken zou kunnen krijgen met de dreiging van het internationaal terrorisme.
Helaas schat de regering het belang van het bovenstaande slecht in.
Het hebben van een goede buur is belangrijk en gezamelijk zouden we heel wat activiteiten ten gunste van beide volkeren kunnen ontplooien maar ook hier geldt het gezegde: “it takes two to tango” (om iets te bereiken zijn beide partners voor nodig)!