Zoeklicht 13
maandag 25 oktober 2004
Vanuit Jenny de brug over en linksaf voert je naar Boskamp. Een slaperig vissersdorpje waar, met uitzondering van een uit schenkingsmiddelen opgezette ijsfabriek, de tijd schijnt te hebben stil gestaan.
Vele jaren terug (in 1979) was ooit het plan opgevat hier een modern visserijcentrum op te zetten; helaas is het bij dit mooie voornemen gebleven hoewel er wél een goede brug tbv. het aanmeren en lossen van de vissersboten was gebouwd.
De oplettende bezoeker zal echter wel merken dat dit stukje investering inmiddels vrijwel vollédig door de golven van de onstuimige Coppenamerivier is verzwolgen.
Gebrek aan zelfs het minimale onderhoud schijnt, volgens enige locale Guyanese vissers, hiervan de oorzaak te zijn! Bij navraag blijkt dat bijkans de gehele dagelijkse visvangst verkocht wordt aan opkopers die daarvoor in speciale koelwagens uit Paramaribo komen, terwijl er plaatselijk wat gebarbakot wordt en in stalletjes langs de weg, overigens op onhygiënische wijze, aan de man gebracht wordt.
Als ik mijn wagen weer instap zien ik een man bezig een grote batterij de rivier in te werken. Deze wordt klaarblijkelijk gebruikt voor het starten van de buitenboord-motor waarmee de vissersboten zijn uitgerust.
” Hallo!” zeg ik, “weet je wel wat je aan het doen bent?” Geschrokken maar toch enigszins verwonderd kijkt hij op: “baas yu no si what I am doing” zegt hij in een mengelmoes van sranantongo en engels.
” Natuurlijk” antwoord ik, “je bent bezig aan milieuvervuiling te doen.”
“Baas san na dati?!” antwoord de kerel met een vrijpostige blik in zijn ogen terwijl hij nu op het punt staat de batterij pardoes te rivier in te dumpen.
Stop right now yu sabi omeni vergif yu e trowè ini a liba; kande yu eigi pikin srefi e wasi lek’ dya”.
Dit laatste zet hem aan het denken en lamlendig zegt hij nog: “ma baas un have no vuilnisbelt here!”; hiermede buiten beschouwing latend dat de hele omgeving van de gezonken aanmeersteiger wel een vuilnisbelt lijkt, waar, bij gebrek aan afvaltonnen en een ophaaldienst, alles maar gemakshalve de rivier in gedumpt wordt!
In ieder geval mijn actie laat hem voor het moment stoppen en hopende dat mijn voorgaand argument hem ervan zal weerhouden de batterij direct ná mijn vertrek alsnog het water in te gooien, rij ik het dorpje uit.
Vòòrdat ik definitief Boskamp verlaat, stop ik bij de brug waar de voertuigen vroeger het veer opreden.
Alles is vervallen hier en het onkruid tiert welig, immers de bezoekers blijven weg, die hebben teveel haast de Coppenamebrug in de kortste tijd over te rijden in plaats van hier te stoppen waar er toch niet veel te halen valt.
De voormalige veerbrug is hier nog wel aanwezig en in goede staat hoewel de ponton waarop het laatste stuk ervan rust reeds danig achteruit gaat.
Ik loop de brug op en geniet van een koele middagbries welke inmiddels de hitte van de dag verdreven heeft en een schitterende zonsondergang inluidt.
“Hoeveel zouden buitenlandse bezoekers hier niet voor over hebben” denk ik in mezelf; “deze prachtige natuur, de rust en het paradijselijke klimaat”. “Als hier goed schoongemaakt was en er geïnvesteerd werd om het toeristen- vriendelijk te maken… als…..als…”, mij gedachten dwalen af…
Een zucht slakend loop ik tenslotte, in de opkomende schemering de brug af, terwijl het me opvalt dat er toch nog een bouwvallige bar open is waar enige drinkeboeren zich tegoed aan wat sopi doen.
Op de terugweg naar Paramaribo, mijmer ik nog na over de geboden kansen van dit land welke wij door onverschilligheid en gebrek aan visie toch steeds weer zèlf om zeep helpen; wanneer zal dít nu eens veranderen?!